“In de rolstoel ben ik een betere tafeltennisser”

Op z’n elfde begon Erwin te Boekhorst (50) met tafeltennis. Hij schopt het tot de eerste klasse. Ook na de amputatie van zijn beide knieën en onderbenen, is hij niet bij de tafel weg te slaan. Hij wordt tweede op het NK paratafeltennis, spart met de Nederlandse selectie voor de Paralympics én speelt mee met de competitie in Duitsland.

 

Erwin verloor in 2017 door een motorongeluk zijn beide knieën en onderbenen. Een lang, intensief revalidatietraject volgt. Hij legt de lat hoog. Al tijdens de revalidatie in Klimmendaal, bewaarde hij zijn spaarzame energie voor beweging. “In tafeltennis heb ik plezier. Het gaf me tijdens de bewegingsagogie juist energie”, vertelt hij. Het duurt dan ook niet lang of Erwin is een waardig tegenstander voor z’n therapeuten. “Al snel was ik weer net zo fanatiek als voorheen. Ik gebruikte zelfs m’n eigen batje – want de batjes in het revalidatiecentrum vond ik niet goed genoeg”, lacht hij.

 

Amper een maand nadat Erwin – na vier maanden intensief revalideren – weer naar huis mag, gaat hij naar Swift, de tafeltennisvereniging in Deventer waar hij sinds 2008 speelt. “Doodeng”, blikt hij terug. “Ik stapte uit mijn veilige cocon een omgeving binnen waar ze me kennen met twee benen. Ik ben bewust op een competitiedag op een drukke zaterdag gegaan, de pleister er in één keer af gerukt. Het was een warm bad.”

 

Oude liefde roest niet

Via Facebook hoort hij van de Paralympische talentendagen op Papendal waar hij verschillende sporten uitprobeert. Hoewel zitvolleybal ‘m ook bevalt, geldt voor Erwin: oude liefde roest niet. Sindsdien speelt hij – op ‘een redelijk niveau’ – tafeltennis in een rolstoel. Zo kan hij zijn spel het beste uitvoeren, merkt hij. “Ik heb twee computergestuurde prothesen, die ik optimaal benut. Ik kan ermee traplopen en loop minimaal een half uur ononderbroken in goed tempo. Maar sporten is een ander verhaal. Als ik op mijn beide protheses sta, kan ik geen sportieve houding aannemen. Ik sta te rechtop.”

 

Tactischer spel

Vanuit de rolstoel kan hij beter zijn spel opleggen aan de tegenstander, legt Erwin uit. “Op prothesebenen ben ik te snel uit positie, waar ik vanuit mijn rolstoel nog een kans heb om de bal terug te slaan. Ik heb een goede rompbeheersing, noodzakelijk als rolstoelspeler. Je moet als rolstoeler bovendien tactischer spelen, omdat je minder bewegingsvrijheid hebt en niet zomaar opzij kunt stappen. Je moet dus je eigen spel spelen, en dat opleggen aan je tegenstander. Zeker als dat een loper is.”

 

Rolstoelers zijn betere tafeltennissers, durft Erwin daarom te stellen. “Ik speel het al bijna veertig jaar, ik ken het spelletje. Maar nu ik in een rolstoel speel, ben ik beter geworden. Mijn techniek vóór het ongeluk en de amputatie was simpel; ik bleef net zo lang openen totdat de tegenstander de bal niet meer terug kon slaan. Dat was mijn spel. Nu is het meer als schaken: kansen creëren door fouten van de tegenstander af te dwingen. Ik speel meer met mijn hoofd, moet beter kijken naar mijn opponent: hoe staat ‘ie, hoe houd ik de bal op tafel, is een top spin of back spin beter?”

En dan is er nog die extra uitdaging: de rolstoel onder controle houden. “Ik speel met protheses aan, zodat er meer gewicht op de voorkant van de rolstoel rust. Zonder heb ik veel moeite om de rolstoel recht voor de tafel te houden”, legt hij uit.

 

Altijd 100% geven

Erwin is een doorzetter. “Als ik iets doe, doe ik het goed. Ik ga voor 100%, niet minder. Dus wanneer ik speel, dan wil ik winnen ook. Daarom vind ik tafeltennis een fijne sport: je bent alleen zelf verantwoordelijk voor je spel en het resultaat. Als ik verlies, kan ik alleen mezelf iets verwijten. Maar als ik verlies van iemand die beter is dan ik, heb ik daar vrede mee. Als een ander – ook tegen mij – mooie slagen speelt, kan ik daar zeker van genieten.”

 

Om nóg beter te worden, is Erwin sinds afgelopen zomer ook begonnen bij een Duitse (para)tafeltennisvereniging, om mee te spelen in de grotere, Duitse competitie waar hij meer kan trainen. Al ligt dat nu stil vanwege de coronamaatregelen. Toch heeft Erwin geluk; één keer in de week traint hij op Papendal met de Nederlandse selectie voor de Paralympics, als sparringpartner. Voor hemzelf komt Tokio deze zomer te snel. “Ik kan nog niet tippen aan het niveau dat toppers als Gerald van Grunsven en Sem Roelofs halen. Dan moet er nog een tandje bij. De Paralympische Spelen van Parijs in 2024 is een gewaagd doel in mijn hoofd. Dat niveau wil ik halen. Ik denk ook dat het kan, maar dat kost veel tijd en geld. Om beter te worden, moet je uren maken. En die uren besteed ik nu voornamelijk aan mijn werk en mijn gezin, waarbij mijn gezin op nummer één staat. Maar zeg nooit, nooit.”

 

Geef een antwoord

twintig − zes =